Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index Forum Eerste Wereldoorlog
Hťt WO1-forum voor Nederland en Vlaanderen
 
 FAQFAQ   ZoekenZoeken   GebruikerslijstGebruikerslijst   WikiWiki   RegistreerRegistreer 
 ProfielProfiel   Log in om je privť berichten te bekijkenLog in om je privť berichten te bekijken   InloggenInloggen   Actieve TopicsActieve Topics 

John Loudon-Laveren en schipperen (1913-1918)

 
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Nederland tijdens WO1 Actieve Topics
Vorige onderwerp :: Volgende onderwerp  
Auteur Bericht
Yvonne
Admin


Geregistreerd op: 2-2-2005
Berichten: 45653

BerichtGeplaatst: 30 Okt 2006 11:05    Onderwerp: John Loudon-Laveren en schipperen (1913-1918) Reageer met quote


Laveren en schipperen achter een faÁade van legalisme
John Loudon (1913-1918)
door Rob van Vuurde

1
"Er zijn maar weinigen, aan wie het Nederlandse volk zoveel te danken heeft gehad als aan
deze diplomaat van grootse allure." Met die woorden stond De Telegraaf stil bij het overlijden
van oud-minister jonkheer John Loudon op 11 november 1955. De krant verhief de man die
"ons land buiten de oorlog had gehouden" op het voetstuk van redder des vaderlands. Met zijn
"geniaal beleid" had de staatsman Loudon in de bange dagen van de Eerste Wereldoorlog
"meer (...) gedaan dan men voor menselijk mogelijk had gehouden".
2
Ruim dertig jaar later zou de schrijver F.B. Hotz zich door de figuur van Loudon, als
personificatie van de Nederlandse neutraliteitspolitiek, laten inspireren tot zijn verhaal "De
ontbijtzaal". Daarin koestert de hoofdpersoon, een historicus, aanvankelijk grote bewondering
voor Loudons diplomatieke balanceerkunst, tot hij ontdekt dat niet zozeer diens "ongewone
staatsmanswijsheid" als wel een bijzondere samenloop van omstandigheden het land voor de
rampspoed van een oorlog had gevrijwaard.
3
Veel historici uit de non-fictieve wereld hadden
die conclusie al jaren eerder getrokken. Volgens sommigen had Loudon met een te starre
neutraliteitspolitiek het oorlogsgevaar juist ernstig vergroot.
Een traditionele carriŤre
John Loudon werd op 18 maart 1866 in Den Haag geboren als zevende en jongste kind van
jonkheer James Loudon (1824-1900) en jonkvrouwe Louise W.F.F. de Stuers (1835-1915).
De families van zijn vader en moeder hadden hun sporen vooral verdiend in Nederlands-IndiŽ
en van daaruit de sprong gemaakt naar de hoogste kringen in het Haagse regentendom. De
oorsprong van het geslacht-Loudon moeten we in Schotland zoeken. Johns grootvader was als
bestuursambtenaar in 1811 meegekomen toen de Britten Nederlands-IndiŽ bezetten. Na het
herstel van het Nederlandse gezag was hij op Java gebleven om zijn geluk te beproeven in de
productie van suiker en indigo. Hij maakte fortuin en liet zich in 1824 tot Nederlander
naturaliseren. Johns vader bracht eveneens een deel van zijn leven in IndiŽ door. Zijn
Page 2
2
bestuurlijke loopbaan in Nederland voerde hem naar het ambt van minister van KoloniŽn
(1861) en commissaris des Konings in Zuid-Holland (1862-71). Zijn plaats in de
geschiedenisboeken verwierf hij echter als de (omstreden) gouverneur-generaal van IndiŽ
(1871-1875) onder wiens bewind de oorlog in Atjeh uitbrak. In 1884 werd Loudon - en met
hem zijn wettige nageslacht - in de adelstand verheven.
4
De moeder van John stamde uit een iets ouder adellijk geslacht, dat zijn oorsprong had
in de Zuidelijke Nederlanden. Eind achttiende eeuw had de Oostenrijkse keizer Leopold II
haar overgrootvader in de Rijksadel verheven met de erfelijke titel van ridder. Leden van de
familie De Stuers vervulden bestuurlijke en militaire functies in Nederland en IndiŽ. Haar
vader en oom dienden onder andere in het Nederlands-Indische Leger; een neef van haar,
A.L.E. ridder de Stuers, was gedurende bijna 35 jaar Nederlands gezant te Parijs. Het lot wilde
dat, na diens overlijden in 1919, John diezelfde post 21 jaar zou bekleden.
5
Loudon groeide op in Den Haag, waar hij het gymnasium bezocht. Geheel vlekkeloos
verliep zijn schoolopleiding niet. Het verhaal gaat dat toen hij een keer bleef zitten, een leraar
opmerkte dat de naam Loudon kennelijk duidde op een samentrekking van "lui" en "dom".
6
Op grond van zijn latere carriŤre zou men kunnen veronderstellen dat althans de eerste
kwalificatie een kern van waarheid bevat. Na zijn middelbare schooltijd koos hij in 1885 voor
een rechtenstudie in Leiden. Daarmee trad hij niet in de sporen van zijn enige, bijna zes jaar
oudere broer Hugo, die via een ingenieursstudie in Delft zijn toekomst in het bedrijfsleven had
gezocht. (Hij zou het daar ver schoppen: tweede man achter H.W. Deterding in de
Koninklijke/Shell.) Met zijn studie in het internationale recht, die hij reeds na vijf jaar met een
promotie afrondde, volgde John de toen meest gebruikelijke vooropleiding voor een
diplomatieke carriŤre. Vermoedelijk had hij al vroeg zijn zinnen daarop gezet. Ook het
onderwerp van zijn proefschrift, getiteld De "Drie Regelen" van het Tractaat van Washington,
wijst in die richting.
7
Het handelt over het verdrag dat de Britse en Amerikaanse regering in
1871 sloten ter regeling van hun geschillen over vermeende Britse neutraliteitsschendingen
tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. De kennis die hij daarbij opdeed over het internationale
recht met betrekking tot neutraliteit zou hem tijdens zijn ministerschap goed van pas komen.
Vrijwel direct na zijn studie trad hij in dienst van Buitenlandse Zaken. De eerste vier
jaar werkte hij met slechts een korte onderbreking op het departement, waar hij deel uitmaakte
van het Kabinet van de minister. In 1895 volgde zijn benoeming tot gezantschapssecretaris der
Page 3
3
2e klasse aan de legatie in Rome. Eind 1899 vroeg zijn voormalige chef van het Kabinet, L.H.
Ruyssenaers, die zelf tot secretaris-generaal op het departement was benoemd, hem de leiding
over het Kabinet van de minister over te nemen.
8
Het is niet bekend hoe Loudon op die post
gefunctioneerd heeft. Vermoedelijk ging zijn hart meer uit naar het diplomatieke werk, want
al na zo'n anderhalf jaar greep hij de gelegenheid aan om als tijdelijk zaakgelastigde naar
Peking uitgezonden te worden. De mogelijkheid om voor het eerst de leiding over een legatie
te hebben, en niet te vergeten zijn warme belangstelling voor de oosterse cultuur, zullen zijn
besluit mede beÔnvloed hebben.
9
In Peking verving hij minister-resident F.M. Knobel, die een
paar zware jaren achter de rug had en dringend aan verlof toe was. De kanselarij was tijdens
de Boxeropstand vrijwel verwoest en een van Loudons taken was te onderzoeken of een
diplomatieke vertegenwoordiging (met een dure legatiewacht) in de Chinese hoofdstad nog
wel nodig was. Tevens moest hij toezien op de uitbetaling van de schadevergoeding door de
Chinese autoriteiten.
10
In 1903 bracht hij, op terugreis naar Europa, een bezoek aan IndiŽ, het koloniale rijk
waar zijn familie rijkdom en aanzien had verworven. In de twee jaren daarna vervolgde hij
zijn carriŤre in de functie van gezantschapsraad op achtereenvolgens de legaties in Londen en
Parijs. Tijdens de afwezigheid van de gezant - in Parijs was dat dus zijn achterneef, ridder De
Stuers - was hij als tijdelijk zaakgelastigde belast met de leiding over die twee belangrijke
Nederlandse vertegenwoordigingen.
Begin 1906 kwam het moment waarnaar elke jonge diplomaat uitkijkt: de plechtige
eedaflegging bij koningin Wilhelmina als chef de mission. Enkele maanden eerder was hij
benoemd tot minister-resident in Tokio met de persoonlijke titel van buitengewoon gezant en
gevolmachtigd minister. Het was, zo kort na de Japanse overwinning op Rusland, een
belangrijke post. Vooral in IndiŽ waren velen beducht voor een mogelijke zuidwaartse
expansie van het keizerrijk. De keuze was op Loudon gevallen niet alleen wegens diens
"uitgebreide kennis en vlugheid van geest", maar ook op grond van zijn ervaringen in Peking.
Bovendien telde mee dat hij nog ongehuwd was, "wat hem het bekleden van een post in het
oosten vergemakkelijkt...".
11
Dat laatste argument zou spoedig komen te vervallen, want op
30 januari 1906, kort voor zijn vertrek naar Tokio, trad Loudon in het huwelijk, en wel met
Lydia Edith Eustis, een Amerikaanse die in Parijs was opgegroeid.
Het heeft er alle schijn van dat zijn verblijf in Tokio, net als voorheen in Peking,
Page 4
4
Loudon goed bevallen is. Zijn affiniteit met het Verre Oosten zal wel een familietrekje
geweest zijn. Toch zou hij niet lang in de Japanse hoofdstad blijven. Reeds in april 1908
volgde zijn accreditering, in dezelfde rang, bij de Amerikaanse regering als opvolger van R.
de Marees van Swinderen. Spijt over zijn vertrek werd ongetwijfeld gecompenseerd door het
besef nu nader kennis te kunnen maken met het geboorteland van zijn vrouw.
12
In zijn
politieke rapportage schreef hij in overwegend milde bewoordingen over de "Groote
Republiek". De vaak hooghartige vooroordelen die veel collega-diplomaten uit de Oude
Wereld koesterden, deelde hij niet. Een persoonlijk hoogtepunt tijdens zijn verblijf in de
Verenigde Staten was de toekenning van een eredoctoraat in 1912 aan de Universiteit van
Chicago.
Het is niet duidelijk waarom in de zomer van 1913, bij de formatie van het ministerie-
Cort van der Linden, voor de post van Buitenlandse Zaken de keuze op Loudon viel. Hij had
geen briljante diplomatieke carriŤre achter de rug en bezat relatief weinig Europese ervaring.
Met zijn hoffelijke, zij het nogal formele, omgangsvormen en flegmatieke karakter, zal hij wel
niet veel vijanden in Den Haag gehad hebben. Bovendien pleitte in zijn voordeel dat hij geen
lid was van een politieke partij, omdat P.W.A. Cort van der Linden de opdracht had gekregen
een extraparlementair kabinet te vormen. Loudons benoeming paste in de reeks van
middelmatige ambtsdragers op het ingedutte ministerie, dat een jaar eerder het statige pand
Plein 23 had betrokken. Anders dan zijn voorgangers zou Loudon zich echter spoedig voor
ongekend grote problemen geplaatst zien.
Eerste Wereldoorlog
Loudon had al voor zijn aantreden blijk gegeven van een optimistische visie op de
internationale positie van zijn land. Als gezant had hij de vele speculaties over het "gele
gevaar" - waaronder die van zijn minister, De Marees van Swinderen - naar het rijk der
fabelen verwezen. Sinds de vestiging van de Verenigde Staten aan IndiŽ's noordgrens in 1898
achtte hij Nederlands koloniale bezit zelfs extra verzekerd. Evenmin geloofde hij in een
Amerikaans annexatiestreven, hetzij in de West hetzij in de Oost.
13
Het waren realistische
taxaties; sinds de Japanse overwinning op Rusland had de imperialistische rivaliteit tussen de
mogendheden inderdaad sterk aan kracht ingeboet. Toenemende polarisatie tussen de
machtsblokken op het Europese continent was ervoor in de plaats gekomen, maar ook die kon
Page 5
5
Loudon niet somber stemmen. Hij toonde van het begin af aan een onwankelbaar vertrouwen
in de overlevingskansen van de Nederlandse neutraliteit. Bovendien tekende zich na de
beŽindiging van de Tweede Balkanoorlog een zekere ontspanning af in de internationale
politiek. Het had er begin 1914 alle schijn van dat de voorbereidingen voor de Derde Haagse
Vredesconferentie, die voor het volgend jaar op de agenda stond, de grootste uitdaging voor
zijn ministerschap zouden gaan vormen. De schoten in Sarajewo verstoorden op ruwe wijze
dat perspectief.
De grote gevaren waarmee Nederland na het uitbreken van de oorlog geconfronteerd
werd, zorgden ervoor dat meer dan ooit het buitenlandse beleid aan de greep van het
departement werd onttrokken. Veel kwesties met betrekking tot de Nederlandse
neutraliteitspositie werden op regeringsniveau beslist, of, als het om economische aspecten
ging, door de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij (NOT). Die in naam particuliere
vennootschap onderhandelde met de autoriteiten van de Entente-landen over de voorwaarden
waaronder de Nederlandse in- en uitvoer kon worden voortgezet. Belangrijk waren de
garanties die de NOT verstrekte voor niet-doorvoer van goederen naar Duitsland. Voorts
hebben koningin Wilhelmina en de opperbevelhebber van de land- en zeemacht, generaal C.J.
Snijders, van tijd tot tijd getracht corrigerend op te treden als het beleid niet met hun visie
strookte. Gedurende het laatste oorlogsjaar zou de relatie tussen enerzijds de regering en
anderzijds vorstin en opperbevelhebber ernstig verstoord raken. Binnen de regering waren het
vooral de premier, Cort van der Linden, de energieke M.W.F. Treub (Landbouw, later
FinanciŽn) en N. Bosboom (Oorlog) die invloed op het beleid uitoefenden.
Zoals bekend heeft het maar een haar gescheeld of het Duitse leger was in augustus
1914 ook Nederland binnengevallen. Hoe groot dat gevaar precies geweest is en welke rol
Loudon in de crisis gespeeld heeft, laat zich echter nog steeds moeilijk vaststellen. Het verhaal
gaat dat Loudon op 29 juli, dus vlak voor de Duitse oorlogsverklaring aan Rusland, de
Belgische gezant in Den Haag voorstellen gedaan zou hebben over militaire samenwerking in
de regio Maastricht-Luik. De Belgische regering ging daar niet op in omdat ze zulke
maatregelen in strijd met haar neutraliteitspolitiek achtte. Toen op 3 augustus bleek dat de
Duitse regering in een ultimatum aan Brussel de vrije doortocht van haar legers eiste, terwijl
ze aan Den Haag de plechtige verzekering gaf dat ze de Nederlandse neutraliteit zou
respecteren, zou Loudon ijlings op zijn schreden zijn teruggekeerd. Belgische aansporingen
Page 6
6
om alsnog gezamenlijk de vijand te weerstaan maakten onder die omstandigheden natuurlijk
geen kans meer.
Het is een curieus verhaal dat vreemd genoeg nooit in de literatuur in twijfel is
getrokken.
14
Heeft Loudon inderdaad met vuur gespeeld door het lot van Nederland aan dat
van BelgiŽ te willen verbinden? Het is niet waarschijnlijk, zelfs niet als we er rekening mee
houden dat men in Den Haag niet wist dat de Duitse opperbevelhebber H. von Moltke al
enkele jaren eerder de opmars door Zuid-Limburg uit Schlieffens aanvalsstrategie had
geschrapt - het oorspronkelijke Schlieffen-plan was hier wel bekend. Militaire samenwerking
met BelgiŽ was al bijna tien jaar een gevoelig discussiepunt, niet alleen in politieke en
militaire kringen, maar ook in de pers. Initiatieven in die richting waren steeds van BelgiŽ
uitgegaan, terwijl de Nederlandse regering consequent de boot had afgehouden.
15
Tegen die
achtergrond is het welhaast ondenkbaar dat Loudon tijdens de juli-crisis op eigen houtje zo'n
stap gezet zou hebben. Van beraadslagingen, hetzij binnen het departement hetzij binnen het
kabinet, is in de Nederlandse archieven geen spoor terug te vinden. De enige directe bron
waarop het verhaal berust, is het verslag van de Belgische gezant van het gesprek met Loudon
op 29 juli.
16
Toen er in 1930 publicaties over de kwestie in het buitenland verschenen,
reageerde men op het departement hoogst verbaasd. Secretaris-generaal A.M. Snouck
Hurgronje liet Loudon om opheldering vragen. Die ontkende dat hem ook maar iets over de
zaak bekend was.
17
Het meest waarschijnlijk is dat de Belgische gezant opmerkingen van
Loudon over militaire samenwerking nadat beide landen gelijktijdig door Duitsland waren
aangevallen, heeft geÔnterpreteerd als een voorstel tot afspraken vooraf.
In een ander geval heeft Loudon - en met hem de regering - in die kritieke dagen wel
degelijk een groot risico genomen. Direct na de Duitse inval in BelgiŽ besloot de regering het
op dat moment nog neutrale Verenigd Koninkrijk niet het recht te ontzeggen om, op grond
van zijn verdragsverplichtingen van 1839, met zijn vloot de Westerschelde op te stomen.
Hadden de Britten dat terstond gedaan, en niet eerst Berlijn een ultimatum gesteld, dan was de
kans groot geweest dat de Duitse regering de Nederlandse houding als een casus belli had
opgevat. Nu kreeg Loudon de gelegenheid, na het aflopen van het Britse ultimatum, alsnog de
Westerschelde voor belligerente oorlogsschepen gesloten te verklaren.
Het Nederlandse beleid hinkte feitelijk op twee gedachten. Voorop stond natuurlijk het
streven om buiten de oorlog te blijven. Dat veronderstelde een strikte neutraliteitspolitiek.
Page 7
7
Anderzijds was er het besef dat het voortbestaan van een onafhankelijk BelgiŽ voor Nederland
van levensbelang was. Duitse annexatie van (delen van) BelgiŽ - in het bijzonder de
Scheldemonding - zou een ernstige bedreiging vormen voor de economische, en op den duur
politieke, zelfstandigheid van de Nederlandse natie. Zelfs in pro-Duitse kringen zagen velen in
dat het Nederlandse belang niet gediend was met een overwinning van de centrale
mogendheden. Dat verklaart dat het riskante Nederlandse beleid bij het uitbreken van de
oorlog op een brede consensus kon steunen, zowel binnen als buiten de regering.
Academische neutraliteit
Pas na de Britse oorlogsverklaring heeft Loudon zich bekeerd tot wat zou gaan heten de
"academische" neutraliteitspolitiek. Die hield in dat Nederland zich bereid moest tonen,
ongeacht zijn belangen, het grondgebied tegen aanslagen van beide oorlogvoerende partijen te
verdedigen. In zijn optiek hing het van de geloofwaardigheid van die intentie af of het land
inderdaad buiten de oorlog zou blijven. De keerzijde van die politiek was dat
oorlogshandelingen Nederland in het verkeerde - Duitse - kamp konden drijven, bijvoorbeeld
als de geallieerden zouden besluiten tot een landing in Zeeuws-Vlaanderen. In de herfst van
1914, voorafgaande aan de Duitse verovering van Antwerpen, leek dat een realistisch
scenario. Verscheidene ministers wilden toen dat het grote belang van de Scheldemonding
voor Nederland onder de aandacht van de Duitse regering werd gebracht. De minister van
Oorlog Bosboom wilde zelfs opnieuw de Britse vloot vrije vaart op de Westerschelde
toestaan. Door op die manier grenzen te stellen aan de neutraliteit en dichter tegen de
geallieerden aan te kruipen zou het risico verkleind worden dat Nederland aan de (verkeerde)
Duitse zijde in de oorlog zou worden getrokken, zo luidde hun redenering.
Tijdens het belangrijke regeringsdebat dat begin oktober 1914 over die kwestie werd
gevoerd, verdedigde Loudon het (meerderheids)standpunt dat geen enkele twijfel mocht
worden gewekt aan de Nederlandse neutraliteit. Ongetwijfeld gruwde ook hij van het
denkbeeld tegen de geallieerden in de oorlog verwikkeld te raken. De als pro-Entente bekend
staande Loudon twijfelde er niet aan waar de Nederlandse belangen lagen. Hij achtte echter -
terecht - het gevaar van een Britse actie in Zeeuws-Vlaanderen te klein om daarvoor de
geloofwaardigheid van de Nederlandse neutraliteit te ondermijnen.
Het was geen gemakkelijke opgave om tegenover beide zijden die geloofwaardigheid op
Page 8
8
te houden. Pogingen om met andere neutrale staten samen te werken, moest Loudon al
spoedig opgeven. De belangen liepen te zeer uiteen en vooral de Verenigde Staten hielden de
boot af. De strijdende partijen voerden hun eisen stelselmatig op, waarbij ze Nederland vooral
een functie wilden laten vervullen in hun blokkadepolitiek over en weer, dan wel de
ontduiking daarvan. Ook de "academische" neutraliteit vergde een beleid van laveren en
schipperen, vooral op het economische vlak. De Duitse druk werd gevoeld in de vorm van de
niet aflatende dreiging van een militaire invasie en de afhankelijkheid van enkele Duitse
producten, in het bijzonder steenkool. Anderzijds maakte de kwetsbaarheid van de
Nederlandse koloniŽn en overzeese handel het land gevoelig voor geallieerde chantage.
Ondanks de vele concessies waartoe ze zich telkens weer gedwongen voelde, slaagde de
regering erin beide partijen ervan te blijven overtuigen dat ze zich met alle beschikbare
middelen tegen een schending van haar grondgebied zou verdedigen.
De oorlogvoerende landen lapten het volkenrecht meer en meer aan hun laars. Zo
stelden de geallieerden de afspraken van de Londense Zeerechtconferentie (1909) buiten
werking door steeds meer goederen als contrabande te brandmerken. Vrijwel de hele
Noordzee werd voor de neutrale scheepvaart tot gevaarlijk gebied verklaard. Nederlandse
schepen liepen het gevaar getorpedeerd te worden door Duitse U-boten of opgebracht te
worden door Britse oorlogsschepen. Dat laatste was in de zomer van 1916 zelfs het geval met
de hele haringvloot. Loudons talrijke protesten naar aanleiding van de vele incidenten haalden
weinig of niets uit, hoe scherpzinnig hij ze ook onderbouwde met verwijzingen naar het
internationale recht. Integendeel, ze werden gaandeweg juist een manifestatie van Nederlandse
machteloosheid. Vooral koningin Wilhelmina was dat een doorn in het oog. Ze ging Loudon
zien als de exponent van een beleid waarmee ze zich steeds minder kon vereenzelvigen.
De internationale spanningen spitsten zich toe in de loop van 1917 en 1918, eerst door
de afkondiging van de onbeperkte duikbootoorlog en vervolgens door de groeiende invloed
van de legerleiding op het Duitse beleid. Het waren vooral de om hun pro-Duitse sympathieŽn
bekend staande Cort van der Linden en de opperbevelhebber der land- en zeemacht generaal
Snijders die zich ontvankelijk toonden voor het gruwelbeeld van een oorlog met de machtige
oosterburen. De laatste wees de regering bij herhaling op de toegenomen dreiging als gevolg
van het gestegen strategische belang van Nederland, als uitvalsbasis in de duikbootoorlog en
als doorvoergebied voor het Duitse "eindoffensief". Loudon deelde die sombere
Page 9
9
verwachtingen niet.
In februari-maart 1917 ontstond een crisissfeer, toen twee Duitse onderzeeboten op de
Nederlandse kust strandden en de Nederlandse regering de Duitse eis om ze vrij te geven
weigerde in te willigen. Het incident werd in militaire kringen in Berlijn hoog opgenomen.
Loudon bezat op dat moment echter nauwelijks politieke speelruimte om Duitsland ter wille
te zijn. Juist in die maanden was de anti-Duitse stemming in het land hoog opgelaaid nadat
een U-boot zeven koopvaardijschepen had getorpedeerd, waaraan door de Duitse
marineautoriteiten een min of meer veilige vaart ("relatieve zekerheid") was toegezegd. Cort
van de Linden heeft toen, met steun van koningin Wilhelmina, maar met voorbijgaan van
Loudon, zijn informele kanalen benut om een compromis met Berlijn te sluiten, dat ook de
regeling van enkele andere kwesties omvatte. Overigens was daarbij het initiatief van Duitse
zijde uitgegaan. Men wist kennelijk in Berlijn ook wie in Den Haag het meest gevoelig was
voor druk. In hoeverre Loudon zich toen gepasseerd gevoeld heeft, is niet duidelijk.
Ongeveer een jaar later zou Nederland nog dichter langs de rand van de afgrond gaan. In
februari 1918 verzocht Den Haag de Amerikaanse regering in verband met dreigende
voedseltekorten om de levering van 100.000 ton tarwe. De geallieerden gebruikten vervolgens
dat verzoek om hun eis kracht bij te zetten dat Nederland een groot deel van zijn handelsvloot
ter beschikking zou stellen voor onder andere troepentransport van de Verenigde Staten naar
Europa. Midden maart stelden ze zelfs een ultimatum: als niet aan de eisen werd voldaan,
zouden alle Nederlandse schepen in geallieerde havens in beslag worden genomen en zou van
graanleveranties geen sprake meer zijn. Loudon wilde, zij het onder strenge voorwaarden, aan
die eis tegemoet komen en hij slaagde erin de meerderheid van de ministerraad mee te krijgen.
Toen vervolgens de geallieerden, die de Nederlandse voorwaarden afwezen, alsnog tot
confiscatie van in totaal 135 schepen overgingen, stak er een storm van verontwaardiging op.
Velen namen het Loudon kwalijk dat hij de eis niet zonder meer van de hand had gewezen. Ze
vonden dat hij de Nederlandse neutraliteit, en daarmee de nationale eer, had proberen te
verkwanselen. De invloedrijke historicus en politieke commentator H. T. Colenbrander
verwoordde het gevoel van vernedering in zijn lijfblad De Gids als volgt: "De rangorde is dus:
recht, brood en geld (...). Onmachtig den eerbied voor het Recht aan iemand anders dan ons
zelve af te dwingen, hebben wij onze bestaansreden verloren zoo wij ook dit laatste niet meer
vermogen."
18
Voor koningin Wilhelmina had Loudon het sindsdien definitief verbruid.
Page 10
10
De ernstigste crisis moest echter nog komen. Als reactie op de confiscatie van de
Nederlandse handelsvloot eiste Berlijn in april verregaande compensatie: de Nederlandse
spoor- en waterwegen dienden ter beschikking gesteld te worden voor transporten van en naar
BelgiŽ, waaronder materialen (vooral zand en grint) die voor militaire werken gebruikt konden
worden. Om de pressie op Den Haag op te voeren verplaatste generaal E.F.W. Ludendorff
zelfs twee divisies naar de grens met Zeeuws-Vlaanderen. Loudon heeft toen de gevaren, die
de veranderde machtsverhoudingen in het Duitse Rijk voor Nederland impliceerden, niet
tijdig onderkend. Hij beschouwde de eisen als bluf en wenste er slechts gedeeltelijk aan
tegemoet te komen. Daarop nam de Duitse gezant F. Rosen, zelf overtuigd tegenstander van
een aanval op Nederland, contact op met Cort van der Linden en enkele vooraanstaande (pro-
Duitse) Kamerleden. Hij slaagde erin hen van de ernst van de situatie te overtuigen. Loudon
geraakte in een geÔsoleerde positie. Toch gaf hij zijn verzet pas op toen bleek dat ook de
Franse en Britse regering ernstig rekening hielden met een Duitse aanval op Nederland en via
hun gezanten in Den Haag aan Loudon langs informele weg lieten weten dat inwilliging van
de Duitse eisen voor hen aanvaardbaar was.
19
Naargelang de schendingen van de Nederlandse neutraliteit toenamen, raakte koningin
Wilhelmina meer en meer geÔrriteerd over de in haar ogen te slappe houding van de regering.
Na de geallieerde "schepenroof", die haar trots diep gekrenkt had, achtte ze de tijd gekomen
om tegenover de buitenwereld een daad te stellen. Ze schaarde zich derhalve vierkant achter
het voorstel van minister van Marine J.J. Rambonnet om een gewapend konvooi naar IndiŽ te
sturen. Zo zou Nederland zijn onafhankelijkheid kunnen onderstrepen. Het weinig realistische
plan vond geen genade in de ogen van de Britse regering, die haar recht van visitatie niet
wenste op te geven. Loudon vreesde een ernstige verstoring van de relaties met Londen en
slaagde erin de ministerraad tot aanpassing van het plan te bewegen. Bij die gelegenheid heeft
de koningin via Cort van der Linden de regering haar afkeuring over Loudons beleid kenbaar
gemaakt. Maar doordat de andere ministers zich solidair met hun collega verklaarden, kon er
van diens aftreden geen sprake zijn.
Het Nederlandse zelfbeeld als centrum van de internationale vredesbeweging, vooral in
liberale kring zo gekoesterd, verlangde niet alleen de verdediging van het volkenrecht tegen de
wassende stroom van oorlogswillekeur, maar ook de morele verplichting om initiatieven te
ontplooien voor het herstel van de vrede. Loudon heeft enkele keren, heel behoedzaam en
Page 11
11
langs informele weg, de kansen op een bemiddelingspoging afgetast. Hij deed dat via zijn
oud-collega en vriend, J. Bryce, voormalig Brits ambassadeur in Washington, met wie hij
tijdens zijn gezantschap bevriend was geraakt. Alle pogingen liepen echter op niets uit.
20
Tamelijk naÔef was het denkbeeld om te proberen te zijner tijd de vredesconferentie in ons
land te laten houden. Loudon won er echter wel de belangstelling van koningin Wilhelmina
voor, die er een middel in zag het prestige van Nederland op te vijzelen. Om zo goed mogelijk
op eventuele vredeskansen in te kunnen spelen bewerkstelligde hij zelfs dat Nederland in
1915 een vertegenwoordiger bij het Vaticaan benoemde, die opdracht had inlichtingen te
verzamelen over mogelijke bemiddelingspogingen van de paus.
21
Kritische kanttekeningen
Hoe moeten we Loudons functioneren als minister beoordelen? Het antwoord van historici is
ongemeen hard. In de voetsporen van C. Smit, kenner bij uitstek van de periode, wordt
Loudon afgeschilderd als een zwakke minister. Hij mocht dan een aimabel persoon zijn,
charmant in de omgang en integer van karakter, het ontbrak hem schromelijk aan
leidinggevende capaciteiten en werkkracht. Daardoor raakte hij de greep op zijn departement
kwijt, terwijl zijn zwakke persoonlijkheid en geringe dossierkennis hem vaak in een bijrol
drongen. Dat beeld is vooral gebaseerd op waarnemingen van leden van het corps
diplomatique in Den Haag en enkele Nederlandse ingewijden op het departement, E. Heldring
voorop. Vervolgens zijn de negatieve tinten in de geschiedschrijving extra aangezet met
verwijzingen naar Loudons latere functioneren als gezant in Parijs, waarover straks meer.
22
Deze schets van de persoon Loudon overtuigt in grote lijnen. Eigenlijk heeft hij zijn
hele leven moeite gehad in een hiŽrarchische organisatie te opereren. Hij was te veel een
solist, niet iemand om gemakkelijk mee samen te werken. Zelf leiding geven aan een
departement of een legatiestaf ging hem nog moeilijker af. Het ontbrak hem niet alleen aan
natuurlijk overwicht, zijn plichtsbesef reikte niet zover dat hij veel tijd en energie stak in het
toezien op de uitvoering van het werk. Zaken waarvoor hij zich weinig interesseerde, zoals de
economische aspecten van de neutraliteitspolitiek, liet hij maar al te graag aan anderen over.
Loudon was meer diplomaat dan bestuurder; een diplomaat van de oude stempel wel te
verstaan.
Toch zijn enkele kanttekeningen bij dit beeld op zijn plaats. Allereerst is het van belang
Page 12
12
de Nederlandse context niet uit het oog te verliezen. Dat diplomaten, die vertrouwd waren met
de verhoudingen op het Foreign Office of het Auswšrtige Amt, zijn geringe daadkracht
laakten, zegt op zichzelf niet zoveel. Het Haagse departement met zijn traditie van passieve
afzijdigheidspolitiek miste de capaciteit, de inzet en de efficiŽntie die nodig waren voor een
actieve neutraliteitspolitiek in oorlogstijd. Men kan Loudon hoogstens aanrekenen dat hij niet
in staat was de gewenste cultuuromslag op het departement door te voeren.
In de tweede plaats moeten we onderscheid maken tussen zijn functioneren op het
departement en in de ministerraad. Tijdens de oorlog werden alle belangrijke beslissingen op
regeringsniveau genomen. Loudons inbreng in die besluitvorming moeten we niet
onderschatten. Hoewel hij niet de man was om met de vuist op tafel te slaan, genoot hij
respect onder zijn collega's uit kracht van argumenten. Het was typerend dat hij met Treub,
toch een van de meest dominante figuren in het kabinet, tot aan diens dood in 1931 een
vriendschappelijke relatie onderhield.
23
Helaas weten we bij veel besluiten niet hoe ze precies
tot stand kwamen. Van de beraadslagingen in de ministerraad zijn slechts globale notulen
gemaakt en de collectie van Loudon op het Algemeen Rijksarchief bevat vrijwel geen
persoonlijke getuigenissen. Niettemin kunnen we vaststellen dat hij voor de buitenwereld,
samen met Cort van der Linden, symbool stond voor de Nederlandse neutraliteitspolitiek. In
parlement en pers kreeg zijn optreden lange tijd warme steun. Pas in de laatste maanden,
vooral na de "schepenroof", veranderde dat. Toch werd ook toen zijn reputatie niet wezenlijk
aangetast. Loudon was een van de weinige ministers in het zittende kabinet wier namen
circuleerden in de speculaties over de kabinetsformatie na de verkiezingen van 3 juli 1918.
Anti-revolutionaire en katholieke voormannen als A. Kuyper en O.F.A.M. van Nispen tot
Sevenaer achtten het zelfs wenselijk dat hij in een eventueel te vormen rechts kabinet zou
worden opgenomen.
24
Voorzover er kritiek kwam op zijn beleid, was die zeer uiteenlopend van aard. Koningin
Wilhelmina was niet de enige die vond dat Loudon zich te toegeeflijk placht op te stellen
tegenover de eisen van de Entente-mogendheden.
25
Voor zowel de Britse als Duitse gezant in
Den Haag, W.B. Townley en Rosen, was die gezindheid van de minister boven twijfel
verheven.
26
Een ander verwijt was dat Loudon de neutraliteitspolitiek te doctrinair hanteerde,
waardoor hij onnodig conflicten met de strijdende partijen opriep. Een vooraanstaand
vertolker van dat denkbeeld was Loudons voorganger, De Marees van Swinderen.
Page 13
13
Constateerde deze dat Loudons betweterige juridische colleges vooral kwaad bloed bij de
Britten zetten, Smit betoogt juist dat het starre vasthouden aan de "academische"
neutraliteitspolitiek, waarin hij "als een evangelie geloofde", Loudon blind maakte voor de
gevaren die vanuit het oosten dreigden. "Tegen echt politieke verwikkelingen rond de
neutraliteit bleek Loudon niet opgewassen", zo concludeert hij, doelend op de crises met
Duitsland in het laatste jaar van de oorlog.
27
Die visie is niet overtuigend, omdat ze te veel uitgaat van de formele buitenkant van het
beleid, namelijk de door Loudon geformuleerde protestnota's. Ze gaat voorbij aan de functie
van de nota's: de (onvermijdelijke) Nederlandse concessies voor de andere partij acceptabel
maken. Achter die faÁade werd in wezen een heel pragmatisch - of zo men wil:
opportunistisch - beleid gevoerd. De oprichting van de NOT was daar natuurlijk het meest
markante voorbeeld van. Dat het inderdaad om een zuiver particuliere instelling ging,
geloofden slechts weinigen. Alleen zo kon ze als een instrument in de blokkadepolitiek van de
Entente fungeren, zonder dat de officiŽle neutraliteitspolitiek te zeer in discrediet werd
gebracht. Tegelijk zorgde het gebrekkige toezicht op de garanties tegen doorvoer naar
Duitsland dat die vernuftige regeling ook voor Berlijn aanvaardbaar bleef.
Loudon vormde geen uitzondering op die flexibele benadering van de
neutraliteitspolitiek. (Hij miste trouwens ten enenmale het karakter van een Prinzipienreiter;
onder invloed van anderen, kon hij soms tamelijk impulsief zijn standpunt herzien.)
28
Schendingen van de neutraliteit waren tot op zekere hoogte voor hem zelfs onderhandelbaar,
zoals in de aanloop naar de inbeslagname van de koopvaardijvloot bleek. Voorwaarde was
echter dat ze geen onoverkomelijke problemen voor de tegenpartij opleverden. Uiteindelijk
ging het Loudon om het bewaren van een dynamisch evenwicht tussen de rechtsschendingen
van beide partijen. Voorkomen diende te worden dat er een fatale neerwaartse spiraal van
Nederlandse concessies ontstond. Inwilliging van de Duitse eisen in april 1918 betekende in
zijn optiek dat een kritische grens werd overschreden. Daarom kon alleen de tussenkomst van
de geallieerde gezanten hem op andere gedachten brengen.
Het voeren van een rationele belangenpolitiek, in combinatie met een flexibele uitleg
van het internationale recht, was niet nieuw. De vooroorlogse politiek kenmerkte zich
eveneens door een flinke portie pragmatisme, vooral in geschillen met zwakkere staten buiten
Europa.
29
Zo'n beleid stond in schril contrast met het legalistisch-idealistische zelfbeeld dat in
Page 14
14
sommige kringen werd gecultiveerd. Het verklaart bijvoorbeeld waarom Loudon met zijn
houding voorafgaande aan de confiscatie van de handelsvloot een storm van nationalistisch
getinte kritiek over zich heen kreeg.
Gezant in Parijs
Het negatieve beeld van Loudons ministerschap in de geschiedschrijving lijkt te zijn
aangescherpt door kritiek op zijn latere functioneren als gezant. Vanaf zijn terugtreden als
minister, in de zomer van 1918, had Loudon zijn zinnen gezet op de post in Parijs. Dat zijn
achterneef, de inmiddels hoogbejaarde De Stuers, nog van geen wijken wilde weten, kwam
hem wel goed uit. Loudon snakte naar een paar rustige jaren, waarin hij zich aan privťzaken
kon wijden en met zijn vrouw buitenlandse reizen wilde maken. In de herfst vertrok hij voor
een vakantie naar de Franse hoofdstad. Wel zegde hij minister H.A. van Karnebeek toe zijn
persoonlijke invloed te zullen aanwenden om de ernstig verstoorde betrekkingen met de
geallieerden te helpen verbeteren. Den Haag spande zich tot het uiterste in om te voorkomen
dat de overwinnaars steun zouden gaan geven aan de Belgische annexatieverlangens met
betrekking tot Zeeuws-Vlaanderen en Limburg. Omwille van die lobbyactiviteiten bleef
Loudon veel langer in de Franse hoofdstad dan hij van plan was. Toch heeft hij weinig
invloed kunnen uitoefenen. Tegenover de Franse regering stelde hij zich terughoudend op
teneinde zijn achterneef niet voor het hoofd te stoten. Van Karnebeek vroeg hem daarom de
Nederlandse belangen vooral bij Woodrow Wilson te behartigen, zolang die in Parijs
vertoefde, maar de Amerikaanse president bleek nauwelijks tijd voor hem te hebben.
30
Loudon wenste in die jaren zijn persoonlijke verlangens niet op te offeren aan het
landsbelang. Begin 1919 wees hij een herhaald en dringend verzoek van Van Karnebeek van
de hand om, al was het maar tijdelijk, de op dat moment belangrijke post in Brussel te
aanvaarden. Hij liet er geen misverstand over bestaan: "Parijs of niets, ik zeg het U ronduit".
Hij had net plannen gemaakt om terug te keren naar Nederland en daarna een grote reis te
ondernemen.
31
Het plotselinge overlijden van De Stuers begin mei gooide echter roet in het
eten. Toen Van Karnebeek nauwelijks twee dagen later hem de post aanbood, maakte Loudon
aanvankelijk nog een voorbehoud: kon de benoeming niet in de herfst ingaan of kon hem
anders vast een zomerverlof toegezegd worden?
32
Knarsetandend moet de minister die wensen
naast zich neergelegd hebben.
Page 15
15
Een post als Parijs gold toen als eindstation van een diplomatieke carriŤre. Loudon zou
haar tot aan de verbreking van de betrekkingen op 5 september 1940 bekleden. Daarnaast zou
hij in de jaren twintig talrijke activiteiten binnen de Volkenbond verrichten. In beide functies
kwamen dezelfde gebreken naar voren als tijdens zijn ministerschap: het leiding geven aan
een uitgebreide legatiestaf ging hem niet gemakkelijk af;
33
en zijn voorzitterschap van de
belangrijke Volkenbondscommissie die de ontwapeningsconferentie moest voorbereiden was
bepaald geen succes, volgens een Duits commissielid mede door zijn schrijnend gebrek aan
dossierkennis.
34
De verbetering van het imago van Nederland in Frankrijk zag Loudon zelf als zijn
belangrijkste uitdaging en op dat vlak heeft hij zich wel degelijk verdienstelijk gemaakt. Zijn
persoonlijke charme kwam hem daarbij goed van pas. Tot twee keer toe bracht hij een bezoek
aan de door de oorlog getroffen gebieden in Noord-Frankrijk. Hij zorgde ervoor dat het door
Nederland gefinancierde wederopbouwproject in onder andere de stad Lens veel aandacht
kreeg in de pers. Iets dergelijks herhaalde zich in 1930 na de overstromingsramp in Zuid-
Frankrijk. Voorts was het vooral op cultureel gebied dat hij Nederland over het voetlicht
bracht. Vrijwel vanaf het begin heeft hij zich ingespannen voor de instelling van een Leerstoel
Nederlandse Taal en Cultuur aan de Sorbonne en de oprichting van een CollŤge Nťerlandais
met onder andere een Nederlandse bibliotheek. In 1924 nam hij het initiatief - en droeg hij
persoonlijk de financiŽle risico's - om het Concertgebouworkest onder leiding van W.
Mengelberg naar Parijs te halen. Het werd een groot succes, dat tot aan het uitbreken van de
oorlog nog vier maal zou worden herhaald. Muziek nam, samen met culturele reizen, een
voorname plaats in in het leven van het kinderloze echtpaar Loudon. Geregeld gaven ze
soirťes voor de beau monde van de Franse hoofdstad, waarbij Loudon soms liederen van zijn
vrouw aan de vleugel begeleidde. Veel werk stak hij ook in de voorbereiding van de
Nederlandse deelname aan respectievelijk de Internationale Koloniale Tentoonstelling (1931)
en de Wereldtentoonstelling (1937) in Parijs. Het Nederlandse paviljoen op eerstgenoemde
expositie werd in de Franse pers als een van de fraaiste beoordeeld. Het bezoek van het
koninklijk paar met prinses Juliana, betekende stellig een hoogtepunt in het gezantschap van
Loudon. Nog geen twee weken later zou het paviljoen tot de grond toe afbranden.
Graag had Loudon gezien dat zijn inspanningen voor het verbeteren van de Frans-
Nederlandse relaties bekroond zouden worden met de verheffing van zijn gezantschap tot
Page 16
16
ambassade. In 1934 gaf minister A.C.D. de Graeff, onder druk van het parlement, opdracht de
Franse regering daarnaar te polsen. Later zou Loudon zelf nog enkele keren initiatieven in die
richting ontplooien. Alle pogingen waren echter vergeefs, omdat het Quai d'Orsay zich op het
standpunt stelde dat het alleen ambassadeurs wilde uitwisselen met kleinere mogendheden als
die in een bijzondere relatie, zoals een bondgenootschap, tot Frankrijk stonden.
35
De diplomatieke rapporten, die Loudon in een weliswaar wisselende, maar gemiddeld
vrij hoge frequentie, naar Den Haag zond, ademden een kritische toon, zowel ten aanzien van
de binnenlandse als de buitenlandse politiek van Frankrijk. Vooral in de jaren dertig laakte hij
de instabiliteit van de Derde Republiek. Hij sprak van een verdorven parlementair stelsel, dat
ten prooi leek te zullen vallen aan complotten van vrijmetselaars en opruiende agitatie van
communisten. Zijn verlangen naar een sterk leiderschap, dat orde op zaken zou stellen, bracht
hem tot uitingen van sympathie voor extreem-rechtse groeperingen. Toen hij in 1933 in Rome
een ontmoeting met Benito Mussolini had, stak hij zijn bewondering voor de Duce niet onder
stoelen of banken. Adolf Hitler beschouwde hij daarentegen als een ernstige bedreiging voor
de vrede in Europa, waartegen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk krachtig stelling dienden
te nemen. Op het verdrag van MŁnchen reageerde hij zeer sceptisch.
De ontwikkelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog maakten een weinig eervol einde
aan Loudons diplomatieke carriŤre. Vanaf mei 1940 heerste op de legatie een sfeer van chaos
en defaitisme. De opvang van de stroom vluchtelingen, die na de capitulatie van Nederland
Frankrijk bereikte, werd niet door de legatie maar door de consulaire dienst ter hand
genomen.
36
De in juni gevormde regering-Pťtain, die met Duitsland een wapenstilstand sloot,
werd door de Nederlandse regering-in-ballingschap als wettig erkend. Loudon week met een
deel van het legatiepersoneel uit naar Vichy. In de oude maarschalk, die met harde hand de
linkse krachten aan zich onderwierp, zag hij de krachtige leider die Frankrijk zo lang ontbeerd
had.
37
Een hoogst curieus standpunt.
Nadat de regering in Vichy onder Duitse druk op 5 september de diplomatieke
betrekkingen met Nederland had verbroken, vertrok Loudon naar Cannes waar hij de rest van
de oorlog zou blijven. Dat vernederende einde van zijn carriŤre stemde hem bitter. Toen vier
jaar later Nederland de door generaal De Gaulle gevormde voorlopige regering erkende,
hoopte hij op een herbenoeming. Hij beschouwde het als een persoonlijke genoegdoening
indien hij, al was het maar voor korte tijd - enkele maanden! - in zijn ambt zou kunnen
Page 17
17
terugkeren. Tot zijn grote teleurstelling weigerde minister E.N. van Kleffens daarop in te
gaan. Voor hem speelde overigens niet alleen Loudons leeftijd een rol - hij was inmiddels 78
jaar - maar ook diens functioneren in 1940 en de door hem geuite bewondering voor
maarschalk Pťtain.
38
Na de bevrijding van Nederland zou Loudon als ambteloos burger in zijn woonplaats
Wassenaar een teruggetrokken leven leiden. De oorlogsjaren hadden zijn reputatie geen goed
gedaan. Meer nog dan in het verleden ging hij interviews met de pers uit de weg. Hij overleed
in 1955, 89 jaar oud; zijn sterfdag was 11 november, de dag waarop het einde van de Eerste
Wereldoorlog wordt herdacht. De meeste kranten wijdden er slechts een kort berichtje aan. In
de geschiedschrijving is evenmin een prominente plaats voor hem ingeruimd. Het is waar,
Loudon was niet de man die Nederland buiten de oorlog had gehouden, zoals De Telegraaf
schreef. Maar als representant van de pragmatisch legalistische traditie in de Nederlandse
buitenlandse politiek heeft hij daar wel degelijk een belangrijke bijdrage aan geleverd.
Page 18
NOTEN
1. Met dank aan Marijke van Faassen, Michael Riemens, Yvonne Verger en Koos Wellink voor hun hulp bij het onderzoek.
2. Deze bewoordingen tekent de krant op uit de mond van jhr. D.J.H.N. den Beer Poortugael, De Telegraaf, 15 november
1955; De meeste andere kranten drukten zich veel neutraler uit.
3. F.B. Hotz, Eb en vloed, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1987, pp. 7-27.
4. Nederland's Adelsboek, Jg. 41 (1943-48), pp. 448-452 en Jg. 55 (1962), pp. 420-425; zie voor James Loudon: Nieuw
Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. III, Leiden: A.W. Sijthoff, 1914, pp. 790-795.
5. Gegevens over De Stuers in: Nederland's Adelsboek, Jg. 45 (1952), pp. 113-128.
6. Anekdote verteld door zijn in 1905 geboren neef John Hugo Loudon in een gesprek met Koos Wellink. Zie diens niet-
uitgegeven doctoraal-scriptie, Jhr. Dr. John Loudon, Nederlands Gezant in Frankrijk 1919-1940 (Katholieke Universiteit
Nijmegen), 1985, p. 3.
7. J. Loudon, De "Drie Regelen" van het tractaat van Washington, Leiden: Somerwil, 1890.
8. Zie voor deze en latere benoemingen: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden, vanaf Jg. 1891; en de dossiers
in het Algemeen Rijksarchief, Den Haag (hierna ARA), Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, Kabinetsarchief,
(hierna ABZ, KA), Diplomatieke dienst. Voorts ARA, Collectie John Loudon, Inv. Nr. 1, Ruyssenaers aan Loudon,
07/10/1899.
9. Suggesties in die richting in de brieven van Loudons medewerker op de legatie in Peking, W.J. Oudendijk, met wie hij
tot eind jaren dertig een correspondentie zou onderhouden, ARA, Collectie John Loudon, Inv. Nr. 2.
10. Instructies voor Loudon in ARA, ABZ, KA, Diplomatieke dienst, Inv. Nr. 112; zie ook C. Smit, Bescheiden betreffende
de buitenlandse politiek van Nederland (1848-1919), Derde periode 1899-1919, dl. I, Den Haag: Martinus Nijhoff, 1957,
Nr. 455, nota Hannema, 08/10/1901.
11. ARA, ABZ, KA, Diplomatieke dienst, Inv. Nr. 116, Van Tets van Goudriaan aan koningin Wilhelmina, 07/10/1905.
12. Oudendijk had vernomen dat Loudon met gemengde gevoelens uit Tokio vertrok. ARA, Collectie John Loudon, Inv.
Nr. 2, Oudendijk aan Loudon, 10/11/1908.
13. Voorbeelden van Loudons optimisme over de koloniale positie van Nederland: Smit, Bescheiden, dl. III, Nr. 367,
Loudon aan BZ, 05/12/1908; Nr. 414, Loudon aan BZ, 05/02/1909: vgl. Nr. 472, De Marees van Swinderen aan Loudon,
13/08/1909.
14. C.T. de Jong, 'De Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog', in: Tijdschrift voor Geschiedenis, Jg. 65
(1952), pp. 257-271, aldaar p. 257; C. Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog, dl. II, Groningen: Wolters-Noordhoff,
1972, pp. 5-6; H.W. von der Dunk, 'Nederland ten tijden van de eerste wereldoorlog', in: Algemene Geschiedenis der
Nederlanden, dl. XIV, Haarlem: Fibula-Van Dishoeck, 1979, pp. 40-52, aldaar p. 42.
15. W. Klinkert, Het vaderland verdedigd. Plannen en opvattingen over de verdediging van Nederland 1874-1914, Den
Page 19
Haag: Sectie Militaire Geschiedenis, 1992, pp. 435-439; Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog, dl. I, pp. 115-122.
16. Afgedrukt in Smit, Bescheiden, dl. VII, Nr. 282, Fallon aan Davignon, 29/07/1914; zie ook de memoires van de
Belgische generaal E.M. Galet, S.M. le Roi Albert, commandant en chef devant l'invasion allemande, Paris: Plon, 1931, pp.
42-44; volgens hem had het gesprek op 27 juli plaats, waarna Loudon nog enkele keren op antwoord zou hebben
aangedrongen.
17. ARA, Collectie John Loudon, Inv. Nr. 46, Van Kleffens aan Loudon, 15/05/1930 en Loudon aan Van Kleffens,
22/05/1930.
18. De Gids, 1 april 1918, pp. 169-180, 'Binnenlandsch Overzicht', aldaar p. 180. Zie voor meer reacties in pers en
parlement: N. Japikse, Die Stellung Hollands im Weltkrieg; politisch und wirtschaftlich, Den Haag: Nijhoff & Gotha:
Perthes, 1921, pp. 147-159.
19. Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog, dl. III, pp. 77-81 ; vgl. J. Houwink ten Cate, 'De Mannen van de Daad' en
Duitsland 1919-1939. Het Hollandse zakenleven en de vooroorlogse buitenlandse politiek, Den Haag: Sdu Uitgevers, 1995,
pp. 30-32.
20. Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog, dl. III, pp. 113-116; zie ook M.J. Riemens, Een vergeten hoofdstuk. De
Nederlandse Anti-Oorlog Raad en het Nederlandse pacifisme tijdens de Eerste Wereldoorlog, Groningen: Wolters-
Noordhoff, 1995.
21. Het is niet duidelijk of Loudon dan wel Wilhelmina de drijvende kracht was achter het streven om de vredesconferentie
naar Den Haag te halen. Smit noemt het een "lievelingsdenkbeeld der koningin", Smit, Nederland in de Eerste
Wereldoorlog, dl. III, p. 109; vgl. C. Fasseur, Wilhelmina. De jonge koningin, Amsterdam: Balans, 1998, p. 511.
22. Smit formuleert dit oordeel het scherpst in zijn bijdrage over Loudon in: J. Charitť (red.), Biografisch Woordenboek
van Nederland, dl. I, Den Haag: Martinus Nijhoff, 1979, p. 353; Joh. de Vries (red.), Herinneringen en Dagboek van Ernst
Heldring (1871-1954), dl. I, Groningen: Wolters-Noordhoff, 1970), p. 220; A.F. Manning, 'De buitenlandse politiek en
internationale positie', in: P. Luykx en N. Bootsma (red.), De laatste tijd. Geschiedschrijving over Nederland in de 20e
eeuw, Utrecht: Het Spectrum, 1987, pp. 266-298, aldaar p. 277; Wellink, Jhr. Dr. John Loudon, p. 149.
23. ARA, Collectie John Loudon, Inv. Nr. 43, Tjeenk Willink aan Loudon, 13/08/1931. Tjeenk Willink was de uitgever van
Treubs postuum uitgegeven boek Herinneringen en overpeinzingen met een Voorwoord van Loudon.
24. G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie. Dl. I: de geschiedenis van de kabinetsformaties 1918-1924, Kampen:
Kok, 1969, pp. 35-37 en 54-55.
25. Het was voor haar de belangrijkste reden om hem niet in aanmerking te laten komen voor een nieuw ministerschap, zie
haar klacht op 27 mei 1918 tegenover De Savornin Lohman, Puchinger, Colijn en het einde, p. 31.
26. Citaten van beiden in C. Smit, Tien studiŽn betreffende Nederland in de Eerste Wereldoorlog, Groningen: H.D. Tjeenk
Willink, 1975, p. 32.
27. Zie Smits bijdrage in Biografisch woordenboek van Nederland, dl. I, pp. 353-354; en Smit, Nederland in de Eerste
Wereldoorlog, dl. III, pp. 31-32 en 80.
Page 20
20
28. Zie bijv. de klacht van Struycken over een rede van Loudon in de Assemblťe van de Volkenbond, J. Woltring,
Documenten betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1919-1945, Periode A, dl. IV, Den Haag: Martinus
Nijhoff, 1983, Nr. 32, Struycken aan Van Karnebeek, 26/09/1922.
29. In de conflicten met Venezuela hield Nederlandse zich bijvoorbeeld minder aan het internationale recht dan Engeland,
R. van Vuurde, Engeland, Nederland en de Monroeleer 1895-1914. Europese belangenbehartiging in de Amerikaanse
invloedssfeer, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 1998, pp. 267-436. Kuitenbrouwer wijst ook op de pressiepolitiek jegens
China (koeliewerving) en Portugal (Oost-Timor), M. Kuitenbrouwer, 'Nederland en de mensenrechten, 1795-1995', in: M.
Kuitenbrouwer en M. Leenders (red.), Geschiedenis van de mensenrechten. Bouwstenen voor een interdisciplinaire
benadering, Hilversum: Verloren, 1996, pp. 156-201, aldaar pp. 174-175.
30. Loudon slaagde er slechts twee keer in, en relatief laat, een audintie bij de Amerikaanse president te verkrijgen.
Wellink, Jhr. Dr. John Loudon, pp. 19-27.
31. ARA, ABZ, Werkarchief 1918-19, Inv. Nr. 26, Loudon aan Van Karnebeek, 01/03/1919 (citaat) en 10/04/1919.
32. Wellink, Jhr. Dr. John Loudon, p. 29. Aan deze doctoraal-scriptie ontleen ik, tenzij anders vermeld, de hierna volgende
gegevens over Loudons gezantschap in Parijs.
33. Wellink geeft als treffend voorbeeld de volgende blunder: Loudon verzuimde in 1925 bij zijn vertrek instructies achter
te laten waardoor zijn waarnemer een verkeerde ontwerptekst van het Belgisch-Nederlandse verdrag aan de Franse regering
toezond, Wellink, Jhr. Dr. John Loudon, pp. 52-54.
34. Akten zur deutschen auswšrtigen Politik, 1918-1945. Serie B, 1925-1933, Band V, GŲttingen: Vandenhoeck und
Ruprecht, 1972, Nr. 85, Dufour-Feronce aan BŁlow, 14/04/1927; zie ook De Vries, Herinneringen en Dagboek, dl. II, p.
761; Wellink, Jhr. Dr. John Loudon, p. 149.
35. Zo was in 1919 voor BelgiŽ, bondgenoot uit de Eerste Wereldoorlog, een uitzondering gemaakt, zie A.E. Kersten, Bui-
tenlandse Zaken in ballingschap. Groei en verandering van een ministerie 1940-1945, Alphen aan den Rijn: A.W. Sijthoff,
1981, pp. 135-136.
36. Ibidem, pp. 178-182.
37. Wellink, Jhr. Dr. John Loudon, p. 143.
38. Kersten, Buitenlandse Zaken, pp. 184-185 en 433 noot 105.
http://64.233.183.104/search?q=cache:YPhzwjpPvRkJ:www.diplomatiekegeschiedenis.nl/
_________________
Met hart en ziel
De enige echte

https://twitter.com/ForumWO1
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privť bericht Verstuur mail Bekijk de homepage
Berichten van afgelopen:   
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Nederland tijdens WO1 Tijden zijn in GMT + 1 uur
Pagina 1 van 1

 
Ga naar:  
Je mag geen nieuwe onderwerpen plaatsen
Je mag geen reacties plaatsen
Je mag je berichten niet bewerken
Je mag je berichten niet verwijderen
Ja mag niet stemmen in polls


Powered by phpBB © 2001, 2002 phpBB Group